“Het beladen huis” van Christien Brinkgreve.

“Wanneer het eigen ego de vuile was overstijgt”.

Een relatie is echt een ingewikkeld ‘ding’.

Een relatie is de optelsom van en het effect op elkaar van alle gedragingen van twee mensen in de loop van de tijd. De gedragingen en karaktereigenschappen van de een, werken in op het gedrag en de karaktereigenschappen van de ander, en dat visa versa. Dit heet een          circulair proces. Voor de nieuwsgierigen onder u, googel eens naar ‘collusie’, en voor de nóg meer nieuwsgierigen naar ‘emergentie’. We veranderen dus onder invloed van elkaar, en het verwarrende is dat we de invloed van de ander op onszelf beter waarnemen, dan onze eigen invloed op de ander. Dat komt doordat we het gedrag van de ander wél kunnen waarnemen, maar nauwelijks dat van onszelf. En dat komt weer doordat onze vijf zintuigen naar buiten, op de ander gericht zijn; en dat we geen zintuig hebben om ons zelf waar te nemen. Door deze ingewikkelde gang van zaken raken veel partners met elkaar verstrikt, en denken ze bijna altijd gelijk te hebben, omdat ze wel zien wat ze zelf zien, maar natuurlijk niet wat de ander ziet.

Dit bovenstaande ingewikkelde stukje geeft dus een relatie weer.

Christien Brinkgreve heeft over dit complexe proces van haar eigen relatie met haar man een boek geschreven. Brinkgreve is hoogleraar sociologie, met als specialisatie vrouwenstudies. Ze is gepromoveerd op een dissertatie over de geschiedenis van de psychoanalyse en is zelf ook in psychoanalyse geweest. Deze informatie over haar interesses is belangrijk bij het interpreteren en beoordelen van haar laatste boek “Het beladen huis”, dat een beschrijving, interpretatie en analyse is van haar eigen huwelijk met Arend Jan Heerma van Voss, bij leven een bekende Nederlander.

Christien Brinkgreve is niet de enige die haar privérelatie publiekelijk maakt. Adriaan van Dis heeft recent over zijn 38-jarige relatie met Ellen Jens, vrouw van Wim T. Schippers, ook een boek geschreven. (Het lijkt warempel wel de Story of de Privé!). En ook is pas het dagboek van Hugo Claus verschenen waar zijn liefdesleven met onder andere Sylvia Kristel, overleden in 2012, uit de doeken wordt gedaan. En ik meen me te herinneren dat Anja Meulenbelt destijds in 1976 ook al uit de school klapte over haar minnaars en die neersabelde. Het zal duidelijk zijn, ik heb moeite met schrijven over intimi die geen weerwoord meer kunnen geven.

Wie schrijft, die blijft.

Ik weet niet of ik een relatie zou willen hebben met een schrijver m/v, want je moet maar afwachten of je niet op een bepaald moment als vuile was op het papier komt te staan. Hugo Claus heeft eens gezegd: “Mensen weten niet dat ik als een roofvogel tussen hen loop en stukken uit hen hap om daarmee boeken te schrijven.”

Christien Brinkgreve over haar ‘literaire’ achterklap:

Mag een moeder dit doen, mag ik als moeder dit boek schrijven? Overtreed ik een ongeschreven regel als ik het schrijverschap laat voorgaan boven andere afwegingen? Ben ik dan geen goede moeder meer? Maar kan het niet naast elkaar bestaan, moederschap en het schrijven van een boek over haar eigen ervaring, die anders is dan van anderen: de band als vrouw verschilt immers van de relatie met de kinderen, die onderling ook weer verschillen toont. Is dit weer de stem van de buitenwereld dat het of – of is?” (p. 62 en 63 over het schrijven van je privéleven).

Mijn zoon liet me huilen, …… en zei toen troostend: met het boek dat je nu schrijft kan je wel afscheid nemen. ………. Ik voelde opeens wat schrijven kan doen, het kan de machteloosheid opheffen, …… niet door dingen te verhullen of mooier te maken, maar door af te dalen in eerdere lagen van ons leven samen. (p. 95).  

Dat klopt, schrijven kan erg helpen, maar dan hoeft het nog niet gepubliceerd te worden.

Christien Brinkgreve verschuilt zich hier ook achter Lisa Appignanesi haar boek “Alledaagse waanzin”. (Appignanesi schreef ook een dikke pil over de liefde, een zeer lezenswaardig boek, misschien daarover nog een keer een recensie). Brinkgreve haalt haar aan omdat Appignanesi ook haar man als een beest op het einde van zijn leven beschrijft. Alsof dat een terecht alibi is om het ook te doen. Op pagina 63 omschrijft Brinkgreve het schrijverschap als een bijna ‘heilige daad’; de arrogantie van diegenen die denken dat ze iets te vertellen hebben, boven alles verheven zijn, zonder zelfrelativering. Waar gaat schrijverschap uiteindelijk over: over het ontdekken van de wereld, inclusief jezelf, niet zonder jezelf. En ook niet denken dat je beter bent omdat je schrijft.

Is objectiviteit over je eigen liefdesrelatie mogelijk?

De vraag stellen is natuurlijk al impliciet het antwoord geven. Een liefdesrelatie is een irrationeel fenomeen. In de meeste gevallen begonnen vanuit een hormonenstorm, drift, en onbewuste andere motieven en drijfveren. En daar proberen we dan, wanneer we besluiten te gaan samenleven, een rationele en ook enigszins functionele relatie van te maken. Dat laatste doen we door samen een hypotheek aan te gaan, eventueel een nageslacht te ‘concipiëren’, en zo goed en kwaad als het gaat een gezamenlijke financiële huishouding er op na te houden. Dat laatste wordt nogal eens problematisch, want koppels vergeten vaak dat geld ‘macht’ is, en liefde en macht is een lastige match. Tussen de regels door lijkt er ook zo’n soort rivaliteit, en machtsspel te bestaan tussen Christien Brinkgreve en haar man. (Zoals in alle relaties trouwens; iets wat we niet willen weten). Waarin Christien Brinkgreve gewonnen lijkt te hebben.

Op de achterflap van het boek wordt Brinkgreve geprezen om haar scherpzinnige analyse (Oek de Jong, schrijver en Marli Huijer, voormalig filosofe des Vaderlands.) Maar verreweg de meeste analyse gaat over A., haar man en niet over zichzelf, hoewel ze schrijft “Dit boek is geen (cursivering WN) portret van hem, maar een beschrijving van hoe onze liefde steeds vaster kwam te zitten….” p. 167. Maar benoemen wat iets niet is, bewijst dat het juist daar wel over gaat. Zo ook dit boek. Het staat vol van beschrijvingen van haar man, maar haar zelfanalyse vindt veelal plaats in de vorm van de retorische vraag, zonder hier een echte vraag van te maken. Zoals duidelijk wordt op bijvoorbeeld de volgende pagina’s:

P. 23 “Ik viel niet alleen op de man maar ook op zijn entourage”. Zonder onderzoek van de betekenis hiervan, namelijk afhankelijkheid.

p. 27 “Gek, … de weerloosheid tegen zijn ongenoegen. Het blijft me opnieuw, verbazen”.

p. 28 “..ik vond dat A zich verontrustend weinig in mij verplaatste”.

P39 “… maar zag op tegen het gedoe van de boekhouding van de zorgtaken en de ruzies om een evenwichtiger verdeling”.

P42 “… wat waren de nieuwe modellen van vrouwelijkheid en mannelijkheid….. en wie stelde hier de norm?”

P 52 Het onbegrip voor de moeite die A. had met zijn pensioen; terwijl Brinkgreve zelf nog steeds publiekelijk op pad is, bijvoorbeeld met dit boek. En zelf dus niet met pensioen lijkt te kunnen gaan.

P 61. Hier beschrijft Brinkgreve haar onbegrip over rouw, waarbij voor mij (WN) duidelijk wordt dat zij niet echt weet wat psychologisch verwerken is, namelijk dat wat indringend gebeurd is, toe-eigenen als realiteit, een proces dat gepaard gaat met ontkenning, woede en verdriet.

In deze beschrijving van dit huwelijk verbaast het mij dat Christien Brinkgreve zoveel niet begrijpt. Haar blijven in een toxische relatie, haar beperkte analytische blik als hoogleraar sociologie: de studie van het menselijk samenleven. Daarbij is ze in psychoanalyse geweest en dus mag je verwachten dat ze aan introspectie heeft gedaan. Maar ze legt veel meer invloed bij haar man dan bij zichzelf. En het is een zwaktebod om anderen in te schakelen als bewijs van haar eigen gelijk, wat ze op verschillende momenten doet, onder andere op p.130: ‘Het was mission impossible” zegt de therapeut”, verwijzend naar haar man, die haar al eerder had geadviseerd te scheiden.

Op dit moment reist Christien Brinkgreve het land door met lezingen over dit boek, haar huwelijk met Arend Jan Heerma van Voss, opgeleukt met muziek.

In een ander verband heb ik al eens beschreven dat een relatie twee modi kan hebben. De eerste is de onmogelijke waarbij je een partner hebt met een duidelijke persoonlijkheidsstoornis, zoals bijvoorbeeld narcistisch, ziekelijk dwangmatig of antisociaal. Waarbij ik netjes stelde dat die relaties een ‘negatief behandelperspectief’ hebben. Neem in dat geval een verstandige beslissing, dan hoef je er geen boek over te schrijven. De tweede soort relatie wordt gevormd door gewone, normale personen, die ‘alleen dysfunctionele patronen’ hebben ontwikkeld. Is dat het geval dan is er vooral perspectief wanneer je je met je eigen aandeel bezighoudt; en niet met dat van de ander.

En schrijf er in dat geval ook maar geen egodocument over.

Plaats een reactie