Om te beginnen: tussen feit en verbeelding.

De laatste jaren is mijn verwondering, beter nog: mijn verbazing over de wereld en alles wat er plaats vindt steeds groter geworden. Tegelijkertijd ben ik in de loop van de jaren veel meer gaan begrijpen. Met als gevolg de zin die vaak terugkeert “ik begrijp het wel, maar ik snap het niet”. En ‘het’ gaat over veel, maar vooral over hoe we als mensen met elkaar omgaan. Mijn plan is om de komende tijd naar aanleiding van(de titel van deze blog) gebeurtenissen, artikelen, boeken, kortom alles wat langskomt, de werkelijkheid, de realiteit te onderzoeken.

En ik nodig je uit om met me op te lopen op deze ontdekkingsreis. Dat zal soms inspanning en concentratie vragen, want de wereld en met name hoe we met elkaar omgaan, is ingewikkeld. Of beter nog, complex. Ik zal later stilstaan bij het verschil tussen ingewikkeld en complex.

In de loop van de tijd ben ik me steeds meer gaan realiseren dat bijna alles draait om de vraag: “wat is de waarheid van de werkelijkheid”. Wat is waar? Nu is dit niet zo origineel, want al eeuwen is dit ook een van de kernvragen binnen de filosofie.

We gaan even terug in de tijd, naar het jaar 1612. De natuurkundige Galileo Galilei had vastgesteld dat de aarde niet het centrum van het heelal was. Dat druiste in tegen de opvatting van de Katholieke Kerk die stelde dat de aarde wel het centrum van het heelal was.

Kleine kinderen in de eerste fase van hun leven zien de wereld alleen in relatie tot henzelf en hun eigen positie. Ze denken nog dat ze het centrum van de wereld zijn. Kleine kinderen denken ook dat anderen de wereld zien zoals zij die zelf zien. Trouwens niet alleen kinderen doen dat. Zoals uit het bovenstaande blijkt denken ook veel volwassenen dat ze het centrum van de wereld zijn en beoordelen andere mensen door zichzelf als maatstaf te nemen. Vooral dit laatste leidt nogal eens tot misvattingen en onbegrip over hoe een ander denkt. Zo hoor je vaak dat mensen zeggen dat ze Poetin of Trump niet begrijpen, omdat ze veronderstellen dat anderen gelijk zijn aan henzelf.

De coronapandemie heeft ons helemaal met de neus op de werkelijkheid gedrukt, doordat ons leven ineens en intens onderbroken werd. De gewoonheid van ons leven werd abrupt verstoord, waardoor alles in een ander daglicht kwam te staan. De zorg bleek veel belangrijker dan de nagelstudio. En wereldwijd reisden mensen naar hun familie omdat we voelden dat bij een essentiële dreiging ‘de holding’, de geborgenheid van familie essentieel is.

Al snel, na de eerste schrik, werden er vragen gesteld over de werkelijkheid van het virus. De onzichtbaarheid van het virus speelde daar een grote rol in. Want onwetendheid vult zich met fantasie, met verbeelding. Én met angst. Vooral dit laatste is heel belangrijk om voor ogen te houden. Want onzichtbare werkelijkheden roepen onzekerheid en angst op. En om dit te beteugelen creëren we (meestal onbewust) angstreductiemethoden. Manieren om op de een of andere manier greep te krijgen op die onduidelijke realiteit. Want een gevoel van controle maakt ons minder bang. Rondom het virus gingen mensen complottheorieën verzinnen. Liever een schijnzekerheid dan onzekerheid.

Om een goed zicht op de realiteit te krijgen is het goed om een onderscheid te maken tussen feiten aan de ene kant, en meningen, opvattingen aan de andere kant. Want onze ideeën en meningen over wat waar is kloppen vaak niet met de feiten. Onze verbeelding hebben we nodig om ons te oriënteren, bijvoorbeeld om de weg te weten als we reizen. Maar ons innerlijke beeld van de route is de route zelf niet.

We hebben als mensen een lange weg afgelegd in het bestuderen van de werkelijkheid. Van het geloof in allerlei geesten die bijvoorbeeld rampen zouden veroorzaken, weten we nu beter. Aardbevingen worden veroorzaakt door schuivende aardplaten en corona is een virus.

Edoch……., de bijgelovigheid lijkt bij veel mensen teruggekeerd. Dit veroorzaakt grote problemen in onze samenleving. Want wanneer er op essentiële terreinen geen consensus is over ‘wat waar is’, dan blijkt polarisatie niet ver weg.

In een mooi artikel over politiek leiderschap op de dag van de Amerikaanse presidentsverkiezingen (3 november 2020) schrijft Arnon Grunberg in het kader van Donald Trump ’s leiderschap:

“Een ander symptoom is anti-intellectualisme en minachting voor wetenschap; waar feiten niet tellen en het verleden half verzonnen mag worden, moet iedereen die probeert aan waarheidsvinding te doen wel als vijand worden voorgesteld. Het zoekende karakter van de wetenschap is de sterke man, die niet zoekt maar weet, een gruwel. (Arnon Grunberg,  Volkskrant 3 november 2020; de dag van de presidentsverkiezingen in Amerika.)”

Volgens mij is er maar één manier die een uitweg biedt, en dat is overeenstemming over de methode om achter de waarheid van de werkelijkheid te komen. En ik weet het, nu begint de discussie over wat de beste methode is. De enige manier om met elkaar contact te houden is om ook hierin met elkaar ingesprek te blijven. Mijn uitgangspunt is allereerst de methode van het  wetenschappelijk onderzoek, die van het positivisme. Kort samengevat betekent dit dat we achter de feiten komen door onderzoek te doen volgens bepaalde regels.

Ons leven bestaat natuurlijk uit meer dan feiten alleen. We hebben het gevoel pas echt te leven wanneer we emotioneel geraakt worden. Vreugde, verdriet, schoonheid en alle andere gevoelsbelevingen maken ons leven waardevol. Die belevingen zijn echter strikt individueel en zijn niet te generaliseren. “Over smaak valt niet te twisten” en zo is het met onze gevoelens én verbeeldingen ook. Vandaar zoveel verschillende religies en religieuzen die vaak hun verbeelding tot feit verklaren. De enige mogelijkheid om met elkaar in contact te blijven over onze belevingen van de realiteit is het met elkaar uitwisselen van onze gevoelens en beelden die we daarbij hebben.

Wil je je verdiepen in de manier, de methode om achter de waarheid van de werkelijkheid te komen dan raad ik je een klein boekje aan van Vincent Icke (vooral niet te verwarren met de complotdenker David Icke!), met als titel “Licht. Tussen waarheid en wetenschap”.

Vincent Icke lijkt mij een leuke man. (Hoewel je daar mee moet oppassen na de onthullingen rond Matthijs van Nieuwkerk.) Vincent Icke is hoogleraar astronomie, (Nee, nee, nee, geen astrologie, want dat is esoterische softerie), en beeldend kunstenaar. Hij zit onder andere in de raad van advies van het tijdschrift “Skepter”. Een tijdschrift dat kritisch onderzoek doet naar beweringen die onwaarschijnlijk zijn.

Icke over feiten: “Feiten bestaan, maar zijn nooit 100 procent zeker. Je kunt dat percentage schatten door erop te wedden. Probeer het eens met iemand die volhoudt dat feiten niet bestaan, door na te gaan of die losjes uit het raam van de tiende verdieping durft te stappen omdat de zwaartekracht ook maar een mening is, of een samenzwering van de academische elite (die Newton was een buitelander, toch?)”.

Hij doet ook enkele uitspraken die mij aan het denken hebben gezet. Al heel lang ben ik een ‘aanhanger’ van nieuwsgierigheid. Icke: “Niet nieuwsgierigheid is de drijvende kracht, maar opmerkzaamheid. Niet de vraag, maar de hypothese is de kern van vooruitgang. Niet kennis, maar begrip is het voornaamste product van wetenschap”.

Icke kent ook een grote betekenis toe aan onze verbeelding om tot nieuwe gedachten (hypothesen) te komen om een stap te maken in het onbekende. In het gebied dat we nog niet kennen. Wetenschap als avontuur met als motivatie nieuwsgierigheid en het ontdekken door opmerkzaamheid. Wat duidelijk wordt in dit boekje is dat wetenschap een proces is volgens een wetenschappelijke methode. Dat proces betekent dat we enerzijds voortbouwen op opgedane kennis. Anderzijds dat soms ogenschijnlijk vaststaande kennis toch anders gezien en beoordeeld moet worden door nieuw ontdekte feiten. Waarbij uiteindelijk de rede het laatste woord heeft volgens mij.

Een klein boekje, een grote aanrader voor wie denkt dat-ie nog niet alles weet.

Vincent Icke, “Licht. Tussen waarheid en wetenschap”. Uitgeverij Prometheus.